09-04-13

Tweede Kamer: Recht op onderzoek

Nederland.tweede kamer.jpg

De Grondwet van 1848 kende de Tweede Kamer het recht van enquête (dat is: onderzoek) toe, te regelen bij wet. De Eerste Kamer en de Verenigde Vergadering van beide kamers hebben dit recht sinds 1887. Sinds de nieuwe regeling van 2008 beslist de Kamer over het al dan niet gebruiken van het recht van enquête op voorstel van één of meer van haar leden (daarvóór diende een commissie het voorstel te doen). In de praktijk doorloopt de besluitvorming drie stappen: eerst een besluit van een vaste kamercommissie, dan een besluit van het Presidium van de Tweede Kamer en dan een besluit van de Tweede Kamer als geheel. Die stappen gelden voor alle vormen van parlementair en extern onderzoek (zie hieronder).

Het bijzondere aan het recht van enquête is gelegen in de bijzondere bevoegdheden die de Kamer bij de uitoefening van dat recht ter beschikking staan zoals de mogelijkheid getuigen te dagvaarden, het onder ede verhoren of zelfs over te gaan tot gijzeling (overigens is die laatste mogelijkheid tot nu toe niet toegepast).

Het enquêterecht werd voor het eerst wettelijk geregeld in 1850. De toen in werking getreden Enquêtewet werd ingrijpend gewijzigd in 1977 en omgedoopt in Wet op de parlementaire enquête. Het werd toen pas mogelijk ook zittende ministers en staatssecretarissen te verhoren. Ook zijn sinds 1977 de verhoren in principe openbaar. In 1991 is een verdere grondige herziening van de wet tot stand gekomen op basis van een al in 1986 nagenoeg kamerbreed ingediend initiatiefwetsvoorstel.

In 2008 is een nieuwe Wet op de parlementaire enquête 2008 in werking getreden.

Sinds de wijziging in 1977 mag men zich tijdens het verhoor laten bijstaan door bijvoorbeeld een advocaat; mogen ook zittende bewindspersonen worden verhoord en bestaat het recht op inzage van afschriften van verklaringen van getuigen en deskundigen. Sinds de wijziging van 1991 heeft de parlementaire enquêtecommissie ook buiten het verhoor recht op inzage in en afschrift van stukken en bestaat er een regeling omtrent de openbaarheid van het enquêtearchief.

De nieuwe wet van 2008 bevat een ruimer en duidelijker regeling van de bevoegdheden van de enquêtecommissie; verduidelijkt en verbetert de positie van de personen die verplicht zijn tot medewerking aan het onderzoek; verheldert de samenloop met ander – bijvoorbeeld justitieel – onderzoek, en verduidelijkt de regeling van openbaarheid en toegang tot en archivering van documenten. De enquêtecommissie heeft nu de volgende bevoegdheden:

-  het dagvaarden van getuigen;-  het vorderen van schriftelijke inlichtingen;-  het betreden van plaatsen;-  het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, mét rechterlijke machtiging;-  het onder ede horen van getuigen en deskundigen (sinds 2008 is dat de hoofdregel; daarvóór kón de commissie onder ede verhoren);-  het toepassen van dwangmiddelen: dwangsom, gijzeling, het afdwingen van medewerking via de politie


In 2008 zijn zoals gezegd de rechten van burgers beter beschermd. De nieuwe algemene verplichting tot medewerking aan een enquête gaat vergezeld van een algemeen recht op bijstand tijdens die enquête. Verder is het voorgesprek geregeld: men is niet verplicht te verschijnen bij zo’n voorgesprek dat niet onder ede plaatsvindt en waarvan het verslag vertrouwelijk is. De verhoren zijn weliswaar in principe openbaar, maar de commissie kan besluiten geen beeld- en geluidsregistratie toe te staan. Verder kan men in elke fase van de enquête een beroep doen op verschoningsrechten: zo is er een verschoningsgrond voor informatie m.b.t. de persoonlijke levenssfeer. Er bestaat daarentegen geen verschoningsrecht om zichzelf en anderen niet te belasten. Ook is van strafrechtelijke immuniteit geen sprake. Wél is het zo dat aan de commissie verstrekte documenten of verklaringen niet als bewijs mogen worden gebruikt in een rechterlijke, of tuchtrechterlijke procedure, bij disciplinaire maatregel of disciplinaire sanctie.
In dit verband is het vermeldenswaard dat bij de behandeling in de Eerste Kamer een motie-Rehwinkel (PvdA) is aangenomen. Daarin wordt het opnemen van een verschoningsrecht op non-incriminatie (zwijgrecht) en een regeling van de binnentredingsbevoegdheid bepleit. CDA, PvdA, ChristenUnie, SGP stemden vóór.  Het kabinet wil dat deze motie ruimhartig wordt uitgevoerd, bij voorkeur door een initiatiefwet, maar desnoods via een wetsvoorstel van het kabinet. De Tweede Kamer heeft inmiddels aangegeven niet met een initiatiefwet te zullen komen: er dient eerst enige ervaring te worden opgedaan met de nieuwe Wet.

Bij de behandeling in de Eerste Kamer kwam eveneens ter sprake op welke onderwerpen het enquêterecht zou kunnen worden toegepast. Het CDA diende daarover een motie-Dölle in, waarbij de begrenzing van de omvang van het enquêterecht beperkt wordt door de omvang van de parlementaire bevoegdheden. Daarbij gaat het om zowel wetgevingsenquêtes (onderwerpen die voorwerp kunnen zijn van wetgeving in formele zin) als politieke enquêtes (onderwerpen t.a.v. waarvan de ministeriele verantwoordelijkheid kan worden geactiveerd). Ook deze motie werd aangenomen met de stemmen van CDA, PvdA, ChristenUnie, SGP en GroenLinks vóór.

De initiatiefwet van 2008 is uiteindelijk in beide Kamers met algemene stemmen aangenomen.

Parlementaire onderzoeken kunnen verschillende vormen aannemen, waarvan de enquete er één is. Bij de behandeling van de wet van 2008 is in de Tweede Kamer een motie-Boelhouwer (PvdA) ingediend waarin het presidium verzocht werd om op korte termijn te komen met voorstellen ter aanpassing van het Reglement van Orde i.v.m. een regeling van andere vormen van parlementair onderzoek. Die motie werd met algemene stemmen aangenomen. De regeling is inmiddels in werking getreden en houdt in dat in het Reglement wordt verwezen naar een, inmiddels ingediende, afzonderlijke Regeling Parlementair en Extern Onderzoek.

(J.G. Gosman)

http://www.politiekcompendium.nl/9351000/1f/j9vvh40co5zodus/vh4vaj8zlf4c

Onderzoek functioneren van de kinderbescherming: Tweede Kamer

Margot Vliegenthart.1987.jpg

Archief

Kinderbescherming (subcommissie-Vliegenthart uit de bijzondere commissie voor het Jeugdwelzijnsbeleid en de vaste commissie voor Justitie) (1990).
De commissie onderzocht het functioneren van de kinderbescherming en constateerde een aantal leemten. Zo was er gebrek aan externe controle en waren er onvoldoende garanties voor objectieve klachtenbehandeling. Regels waren te vaag en de rechtszekerheid voor ouders daardoor onvoldoende. De subcommissie deed onder meer de aanbeveling wetgeving aan te passen en de informatievoorziening te verbeteren. Er diende een volledige scheiding te komen tussen rechtspraak en gezinsvoogdij. Er moest één instantie komen voor toezicht op de jeugdhulpverlening.
 
Foto: Margot Vliegenthart (PvdA) beedigd in Tweede Kamer, 17 November 1987