13-04-13

Politieke vrijheid: Benedictus de Spinoza

Spinoza.jpg

Benedictus de Spinoza (ook wel Despinoza, d’Espinoza) is op 24 november 1632 geboren in Amsterdam als Baruch, zoon van Michael d’Espinoza en diens tweede vrouw Hanna Debora. Zijn ouders maakten deel uit van de nieuwe joodse gemeenschap in Amsterdam, die zich daar had gevestigd om aan de vervolgingen in Spanje en Portugal te ontkomen. De taal waarmee Spinoza thuis opgroeide was het Portugees; zijn roepnaam was dan ook Bento, de Portugese vertaling van zijn officiële naam Baruch, ‘de gezegende’. Naast Portugees leerde hij Spaans, Hebreeuws en Nederlands. Latijn, de taal waarin hij al zijn werken zou schrijven, leerde hij pas later, op een privéschool die de ex-jezuïet Franciscus van de Enden in 1652 in Amsterdam opende.

… In 1656 kwam het tot een dramatische breuk met de joodse gemeenschap: op 27 juli van dat jaar werd de grote ban over Spinoza uitgesproken. Die hield in dat elk contact met hem moest worden verbroken.

… Ondanks de relatief grote vrijheid in het Nederland van die dagen bleek de tolerantie zijn grenzen te hebben. Hoe precair de situatie kon zijn, ondervond Spinoza nog eens op smartelijke wijze toen zijn vriend en volgeling Adraan Koerbagh in 1668 gevangen werd gezet wegens het schrijven van opruiend geachte werken. Een jaar later bezweek Koerbagh in het Amsterdamse Rasphuis.

… Spinoza, die als motto het woord Caute (‘Behoedzaam’) in zijn zegelring had laten graveren, in de loop der jaren steeds voorzichtiger geworden. De Tractatus theologico-politicus (TTP) verscheen in 1670 anoniem en met een vals uitgeversadres, om vervolging te bemoeilijken. Bovendien heeft Spinoza zelf ingegrepen om te verhinderen dat er na de Latijnse versie een Nederlandse vertaling op de markt werd gebracht. Dat zou de autoriteiten maar een voorwendsel hebben verschaft om tot verbod ook van de Latijnse uitgave over te gaan. Maar na het rampjaar 1672 was het politieke klimaat in Nederland zo verslechterd dat de TTP toch verboden werd. Het effect van dat verbod was overigens eerder averechts: de uitgever heeft het boek daarna nog enkele malen herdrukt.

… In Den Haag voltooide Spinoza zijn Ethica. Het manuscript was in 1675 gereed voor de druk, en hij ging ermee naar Amsterdam om de uitgave te regelen. Toen hij daarmee bezig was, bleek dat het gerucht hem al vooruit was gesneld. Men fluisterde dat hij een boek ter perse had waarin hij wilde aantonen dat er geen God bestond. Er waren al predikanten naar de overheid gestapt om hun beklag te doen, en cartesiaanse geleerden – op wier steun Spinoza toch enigszins had gehoopt – probeerden zich van de verdenking van spinozistische sympathieën te zuiveren door zijn werk aan te vallen. De sfeer was zo vijandig dat Spinoza besloot van publicatie af te zien. Hij borg het manuscript weer op, in afwachting van betere tijden. Toen hij in 1677 zijn einde voelde naderen, gaf hij zijn huisbaas Van Spyk opdracht de tekst in het geval dat hij zou overlijden direct naar de uitgever in Amsterdam te sturen.

… Omdat Spinoza’s stelsel al snel als ‘atheïstisch’ werd beschouwd – een kwalificatie waartegen hij zich overigens krachtig verzette – hebben zijn tijdgenoten zich verbaasd over zijn levenswandel. Die was namelijk niet bandeloos en liederlijk, zoals men meende te moeten verwachten van een atheïst – die immers geen goddelijke gerechtigheid te vrezen had. Uit getuigenissen komt Spinoza naar voren als een bescheiden, rustig en zachtmoedig persoon.

… Het is Spinoza’s diepste overtuiging dat de mens geen zelfstandig koninkrijkje binnen het grote rijk van de natuur is, geen imperium in imperio, maar een integraal onderdeel van die natuur, waarin alles in een oneindig causale samenhang met elkaar verbonden is: ‘Elk afzonderlijk iets ofwel ieder willekeurig ding dat eindig is en een bepaald bestaan heeft, kan niet bestaan noch tot werken worden bepaald als het niet tot bestaan en tot werken wordt bepaald door een andere oorzaak, die ook eindig is en een bepaald bestaan heeft; en deze oorzaak wederom kan evenmin bestaan noch tot werken worden bepaald als ze niet door een andere, die ook eindig is en een bepaald bestaan heeft, tot bestaan en werken wordt bepaald, en zo verder tot in het oneindige.’ Het is dan ook vanuit zo’n totaalperspectief dat de mens moet worden bezien.

… Vanuit zijn erkenning dat de mens deel uitmaakt van de natuur en aan de algemene wetmatigheden daarvan is onderworpen, zet hij zich juist fel af tegen elk antropocentrisme, tegen alle pogingen om de wereld te duiden als geschapen ten behoeve van de mens en tegen elk antropomorfisme – de neiging om de natuur in menselijke termen te verklaren. Het duidelijkste en meest funeste voorbeeld van zo’n antropomorfe verklaringswijze is de bijgelovige opvatting van God als een persoon, die de wereld zou hebben geschapen ter wille van de mens. Het aanhangsel van deel 1 van de Ethica is een vernietigende kritiek op alle vormen van antropocentrisme en finalisme (de opvatting dat de natuur met een doel of bedoeling werkt, in dienst van de mens).

… Iemand kan diep ongelukkig worden doordat hij of zij ten onrechte meent dat anderen een lage dunk van hem of haar hebben; of iemand kan zich zeer gelukkig voelen door een fictieve liefde jegens zichzelf die hij of zij bij een ander meent te bespeuren. Wie zich inbeeldt iets niet te kunnen, doet het niet, en kan het dus ook niet. Niet de objecten zijn bepalend voor de kracht van de passies, maar de subjectieve beleving ervan. Dit verklaart de centrale rol van de imaginatio.

… Het was Spinoza wel duidelijk dat zijn Ethica volkomen indruiste tegen alle met hartstocht en fanatisme gekoesterde godsbeelden en heilsopvattingen van zijn tijdgenoten. Nederland mocht dan een betrekkelijk tolerant politiek klimaat hebben, dit boek zou een storm van verontwaardiging ontketenen en gelovigen van alle gezindten tegen de auteur in het harnas jagen. Er waren maar weinig mensen zo vrij van bijgeloof en vooroordeel dat ze de Ethica zouden willen en kunnen begrijpen. Spinoza had zijn hoop gevestigd op mensen met een onbevangen wijsgerige en wetenschappelijke instelling. Hij was evenwel realistisch genoeg om te zien dat zijn filosofie nauwelijks erkenning zou vinden. Daarmee kwam hij voor een tweevoudig probleem te staan. Enerzijds was er de praktische vraag: hoe verzeker ik me van medestanders, zodat mijn werk in ieder geval gepubliceerd kan worden? En anderzijds diende zich ook een principieel probleem aan: als de weg tot het heil er alleen maar een kan zijn van toenemend filosofisch inzicht, is die dan wel toegankelijk voor het overgrote merendeel van de mensen, die immers niet ontvankelijk blijken voor wijsgerige argumenten, maar zich liever laten leiden door bijgeloof?

… Een monarchie is voor Spinoza alleen acceptabel als de macht van de vorst voldoende wordt ingeperkt, zodat hij niet tot tirannie kan vervallen. De aristocratische staatsvorm is al beter, omdat daar een grotere spreiding van de macht is. Onder democratie verstaat Spinoza een staat waarin iedereen het actieve en passieve kiesrecht heeft – met enige inperkingen. Die zijn van dien aard, dat uiteindelijk toch maar een minderheid aan het politieke leven kan meedoen. Om te beginnen komt het kiesrecht slechts tot aan de ingezetenen, niet aan vreemdelingen. Voorts wil Spinoza iedereen uitsluiten die niet sui juris is, die dus onder het gezag van een ander staat. Daarmee sluit hij expliciet vrouwen en slaven uit, omdat die volgens hem onder het gezag van hun echtgenoten respectievelijk meesters staan; ook minderjarigen zijn om die reden verstoken van kiesrecht, maar dat is slechts tijdelijk. Tenslotte geldt als beperking dat de burgers een eerlijk leven moeten leiden; misdadigers en lieden met een schandelijke levenswandel hebben geen aandeel in de politieke macht.

… Ondanks zijn teruggetrokken levenswijze en gering aantal publicaties, werd Spinoza al tijdens zijn leven beroemd en berucht. Hij kreeg bezoekers van heinde en verre, men bood hem een hoogleraarspost in Heidelberg aan – die hij beleefd weigerde omdat hij voor zijn denkvrijheid vreesde.

… Al spoedig werd het etiket ‘spinozist’ een inhoudsloos scheldwoord, dat met weinig nuance werd gebezigd als men iemand onder verdenking van atheïsme wilde plaatsen. Spinoza’s werken circuleerden clandestien, zodat maar betrekkelijk weinigen er kennis van namen, terwijl wel iedereen er een mening over had.

http://www.phil.uu.nl/~piet/Spinoza_overzicht.html